Uit de informatie op de website van de Belastingdienst blijkt dat de inspecteur een belastingplichtige kan beboeten indien deze zijn fiscale verplichtingen niet naleeft. In dat geval wordt een zogenoemde verzuimboete opgelegd. De Belastingdienst legt deze boetes op grote schaal op aan zowel particulieren als ondernemingen.
Hoewel exacte cijfers niet openbaar zijn, kan met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid worden gesteld dat jaarlijks miljoenen verzuimboetes worden opgelegd. Het is dan ook zeer onwaarschijnlijk dat u de enige bent die hiermee wordt geconfronteerd. In mijn praktijk krijg ik dan ook met grote regelmaat de vraag: “Wat valt er te doen tegen een verzuimboete?”
In dit blog wordt eerst de wettelijke grondslag voor de verzuimboete besproken. Vervolgens wordt ingegaan op het leerstuk van de afwezigheid van alle schuld als grond voor vernietiging of matiging van de boete. Daarna volgt een bespreking van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (BBB) en relevante jurisprudentie over matiging van verzuimboetes. Afgesloten wordt met een conclusie.
Heeft u meteen een vraag? Neem dan direct contact op.
Wettelijke grondslag van de verzuimboete
De wettelijke basis voor het opleggen van een verzuimboete is opgenomen in de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR). Op grond van artikel 67a AWR kan de inspecteur aan de belastingplichtige een verzuimboete opleggen indien een belasting die bij wege van aanslag wordt geheven niet of niet tijdig wordt aangegeven.
Het betreft hier onder meer de inkomstenbelasting, vennootschapsbelasting en omzetbelasting. De belastingplichtige is op grond van artikel 8 AWR verplicht gevolg te geven aan een uitnodiging tot het doen van aangifte. Op grond van artikel 10 AWR kan uitstel voor het indienen van de aangifte worden verzocht.
Indien noch de belastingplichtige, noch diens adviseur tijdig aangifte doet of om uitstel verzoekt, ontvangt de belastingplichtige eerst een herinnering. Wordt binnen de daarin geboden coulancetermijn van zeven dagen alsnog aangifte gedaan, dan volgt geen boete.
Indien ook na deze termijn geen aangifte wordt ingediend, kan de inspecteur overgaan tot het opleggen van een verzuimboete.
Afwezigheid van alle schuld
Een opgelegde verzuimboete is echter niet altijd terecht. In bezwaar- en beroepsprocedures blijkt regelmatig dat een boete niet in stand kan blijven wegens:
- een wanverhouding tussen de ernst van het feit en de opgelegde boete; of
- verzachtende omstandigheden die hebben geleid tot het beboetbare feit.
Bij deze beoordeling spelen onder meer het evenredigheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het leerstuk van de afwezigheid van alle schuld een belangrijke rol. Afwezigheid van alle schuld geldt als schulduitsluitingsgrond: een belastingplichtige kan niet worden beboet indien hem geen verwijt treft.
De bewijslast daarvoor rust op de belastingplichtige. Hoewel uit vaste rechtspraak volgt dat dit verweer niet snel wordt gehonoreerd, kan in concrete gevallen wel degelijk worden geoordeeld dat een boete geheel of gedeeltelijk moet vervallen.
Het beginsel “geen straf zonder schuld” brengt mee dat een verzuimboete steeds passend en geboden moet zijn. Een boete die geen redelijke verhouding heeft tot de ernst van de normschending is in strijd met het bestraffende karakter van de sanctie en dient te worden verminderd of vernietigd.
Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst
In paragraaf 21 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (BBB) is bepaald dat het niet of niet tijdig doen van aangifte voor aanslagbelastingen als verzuim wordt aangemerkt.
Voor de inkomstenbelasting geldt dat de inspecteur standaard een boete oplegt van 7% van het wettelijk maximum van artikel 67a AWR. Het wettelijk maximum bedraagt € 6.709, zodat de standaardboete € 469 bedraagt.
Voor de vennootschapsbelasting geldt een aanzienlijk hoger regime: daar bedraagt de standaardboete 50% van het wettelijk maximum, oftewel € 3.354.
Het BBB bepaalt voorts dat slechts in uitzonderlijke gevallen het wettelijk maximum wordt opgelegd, bijvoorbeeld bij stelselmatig verzuim. Uit interne beleidsstukken blijkt dat daarvan al sprake kan zijn bij vier opeenvolgende aangifteverzuimen.
Jurisprudentie en matiging
Uit diverse hofuitspraken blijkt dat in de Vpb-sfeer regelmatig tot forse matiging wordt overgegaan bij een samenstel van verzachtende omstandigheden, zoals:
- geringe termijnoverschrijding (maximaal 10 dagen);
- eerste verzuim;
- kleine, met eenmanszaak vergelijkbare onderneming;
- slechte financiële positie / beperkte draagkracht;
- aantoonbaar verbetergedrag.
Bij een combinatie van deze omstandigheden wordt de boete vaak gematigd tot circa € 500, en soms aanzienlijk lager.
Interne beleidsregels en jurisprudentie over matiging van de verzuimboete
Zoals hiervoor reeds is uiteengezet, dient een verzuimboete proportioneel te zijn en te voldoen aan het criterium passend en geboden. Naast het BBB speelt daarbij in de praktijk vooral de jurisprudentie een doorslaggevende rol.
Uit het memo jurisprudentie overzicht matiging verzuimboete (open.overheid.nl) blijkt dat met name in de vennootschapsbelasting door verschillende gerechtshoven structureel tot matiging is overgegaan. Enkele relevante uitspraken zijn:
- Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 21 november 2014(ECLI:NL:GHSHE:2014:4900); verbetergedrag, eerste verzuim, beperkte draagkracht, € 500
- Gerechtshof Den Haag 20 december 2013(ECLI:NL:GHDHA:2013:5341); samenloop (3 BV’s), ziekte, verbetergedrag, slechte financiële positie; € 500
- Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 13 juni 2014 (ECLI:NL:GHSHE:2014:1770); eerste verzuim, geringe termijnoverschrijding (8 dagen), slechte financiële omstandigheden, verbetergedrag, vergelijkbaar met eenmanszaak, € 250
Uit deze uitspraken volgt dat bij een samenstel van strafverminderende omstandigheden regelmatig wordt gematigd naar circa € 500 of lager.
Individuele straftoemeting bij verzuimboete
Op basis van bovenstaande rechtspraak kunnen wij voor de vennootschapsbelasting volgende strafverminderde omstandigheden worden vastgesteld:
- Geringe termijnoverschrijding (maximaal circa 10 dagen)
- Eerste verzuim
- Kleine, met eenmanszaak vergelijkbare, Vpb-plichtige
- Slechte financiële positie / beperkte draagkracht
- Verbetergedrag
Toepassing in bezwaar
- Indien in bezwaar één van deze omstandigheden aannemelijk wordt gemaakt, ligt matiging reeds in de rede, bijvoorbeeld tot ongeveer de helft van de standaardboete.
- Indien twee of meer omstandigheden worden aangetoond, wordt veelal gematigd tot circa € 500.
- Uiteindelijk geldt steeds de evenredigheidstoets van artikel 5:46 Awb: de boete moet in verhouding staan tot:
- de ernst van de overtreding,
- de mate van verwijtbaarheid,
- en de overige omstandigheden van het concrete geval.
De beoordeling of een boete passend en geboden is, blijft dus maatwerk.
Conclusie
Uit het voorgaande blijkt dat een verzuimboete geen automatisme mag zijn. Hoewel de Belastingdienst bevoegd is om bij een te late aangifte een boete op te leggen, betekent dit niet dat deze in alle gevallen gerechtvaardigd is. De boete moet passend en geboden zijn, mede gelet op het evenredigheidsbeginsel en het beginsel geen straf zonder schuld.
De praktijk laat zien dat verzuimboetes regelmatig worden verminderd of vernietigd wanneer sprake is van verzachtende omstandigheden of beperkte verwijtbaarheid. Iedere boete vergt daarom een individuele juridische toetsing. In veel gevallen loont het om tijdig bezwaar te maken: de kans op (gedeeltelijke) vernietiging of matiging is aanzienlijk groter dan vaak wordt gedacht.
Heeft u te maken met een verzuimboete ontvangen? Neem dan vandaag nog contact op met Kortman advocaten via 070 302 40 30 (bereikbaar van 09.00 tot 17.15 uur, op dinsdag van 09.00 tot 12.30 uur) of vul het contactformulier in.








